Deze website maakt gebruik van cookies. Lees hier meer hierover. Deze website gebruikt cookies.

‘Experimenteren is een waardevolle bezigheid’

Sneller van idee naar uitvoering. Daar staat de Crisis- en herstelwet (Chw) voor. Via de Chw gebruiken inmiddels 150 gemeenten en provincies nu al instrumenten van de Omgevingswet. Een mooie hoeveelheid, vindt programmamanager Monique Arnolds. ‘Wie nu oefent, is in 2021 goed uitgerust.’

In 2010 riep voormalig minister-president Jan Peter Balkenende de Crisis- en herstelwet (Chw) in het leven. De economische crisis woedde er lustig op los en de roep om een aantal procedures sneller te laten verlopen, werd steeds luider. De aanvraagprocedure voor bouwprojecten bijvoorbeeld. De Chw moest daar iets aan doen. Daarom werden de zogeheten ‘bestuursrechtelijke versnellingen’ opgenomen in de wet. Die zorgen er onder andere voor dat de Raad van State binnen een half jaar uitspraak moet doen over een beroep. Eerder kon dat veel langer duren. ‘De Raad van State komt in normale zaken steeds vaker uit op deze termijn. Dat is progressie’, vindt Monique Arnolds, die sinds het ontstaan van de Chw programmamanager is.

Experimenteel plan biedt voordelen
Het ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ is waarschijnlijk het bekendste onderdeel van de Chw. Dit is een experimenteel plan waarin initiatiefnemers op onderdelen mogen afwijken van een aantal wetten en besluiten die gelden in een gebied, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte heeft veel weg van het omgevingsplan, één van de instrumenten van de Omgevingswet. Op dit moment zijn er maar liefst 150 gemeenten die via de Chw werken met een of meerdere instrumenten van de Omgevingswet. Twintig bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte zijn onherroepelijk verklaard. Maar wat zijn nu eigenlijk de voordelen? Arnolds: ‘Iedereen die nu al werkt via de Crisis- en herstelwet doet voorwerk voor de Omgevingswet. Veel gemeenten realiseren zich dat ze moeten oefenen. Als het dan mogelijk is om dat “voor het echie” te doen, is dat helemaal mooi meegenomen.'

Bedrijven naar een andere plek  
De herontwikkeling van het woon-werkgebied Soesterberg Noord illustreert dat de Chw waardevol kan zijn, vindt Arnolds. Omdat de gemeente Soest met een tekort aan woningen kampt, bouwt ze er 280 in dat gebied. Maar op datzelfde terrein zaten tot voor kort bedrijven die geluidoverlast veroorzaakten. Via de Chw kon Soest anders te werk gaan en de bedrijven die geluidsoverlast veroorzaakten, helpen te verhuizen. Arnolds: ‘Het leuke is dat uiteindelijk alle partijen enthousiast zijn over deze nieuwe manier van werken en het resultaat.’ 

Al jaren aan de slag
Ook op de Binckhorst, een ontwikkelgebied in Den Haag, wordt de Omgevingswet al toegepast via de Chw. Het gaat om organische gebiedsontwikkeling, de markt is aan zet. Er kunnen maximaal 5.000 woningen worden gerealiseerd. Er is niet vastgelegd waar deze woningen precies mogen komen. Arnolds: ‘In 2014, toen nog geen enkele gemeente bezig was met het omgevingsplan, kwam Den Haag er al mee. Ze zijn daar dus al jaren aan het oefenen en dat merk je: alle mogelijkheden van het experiment worden er benut.’

Veel experimenteerruimte
De programmamanager kan geen wet bedenken met zoveel experimenten als de Chw. ‘Dat vind ik belangrijk omdat experimenten de mogelijkheid geven om in te spelen op wat je niet hebt kunnen voorzien. Met de Chw wordt experimenteerruimte benut om vooruitlopend op de Omgevingswet in de praktijk te oefenen. Een grote voorhoede maakt hier gebruik van.’ De mensen achter de Chw gaan door met het faciliteren van gemeenten die er iets mee willen tot de Omgevingswet in 2021 ingaat. Arnolds: ‘We vinden het belangrijk dat gemeenten aan de slag blijven, oefenen, oefenen, oefenen.’  

Hoe overheden digitaal gaan samenwerken

‘Samen komen is een begin; samen blijven is vooruitgang; samenwerken is succes.’ Deze uitspraak van autofabrikant Henry Ford is het stokpaardje van PIKO-projectleider Roland Willemsen. PIKO, een initiatief van het programma Aan de slag met de Omgevingswet, is de afkorting van het Project Interbestuurlijke Ketensamenwerking Omgevingswet. Wat het project inhoudt, legt hij graag uit.

Hoe is dit project ontstaan?
‘We begonnen in september 2016. Niet met PIKO, maar met het project Uitwerking Informatievoorziening Omgevingswet (UIVO-i). Hierin werd onderzocht wat er aan digitale informatievoorziening nodig is bij overheidsorganisaties en hun ketenpartners. En wat dat betekent voor de ontwikkeling van hun ICT-systemen en het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO). De laatste ‘i’ in de afkorting staat voor interbestuurlijk. Oftewel: samenwerking tussen verschillende overheidslagen en ketenpartners. Dat is alleen goed mogelijk als hun digitale voorzieningen daarop zijn ingericht.’  

Interbestuurlijk samenwerken aan de uitvoering van de Omgevingswet, hoe ziet dat eruit?
‘Het begint allemaal bij een initiatiefnemer. Met een vergunningaanvraag zet die de ‘procesketen’ in gang. Het gaat hier om een vergunningaanvraag waar verschillende overheidslagen bij betrokken zijn. Bijvoorbeeld een aanvraag voor het bouwen van een groot recreatiecentrum. In zo’n aanvraag zit een ‘bouwdeel’, een ‘waterdeel’ en een ‘natuurdeel’. De gemeente is daarbij betrokken, maar ook de provincie, omgevingsdienst en het waterschap hebben iets te zeggen over wat wel en niet kan. De mensen achter deze partijen zitten niet fysiek bij elkaar, maar verlenen wel gezamenlijk de vergunning aan de initiatiefnemer van het recreatiecentrum.’  

Wat is er nodig voor een succesvolle samenwerking?
‘Het is in elk geval belangrijk dat iedereen dezelfde taal spreekt tijdens het beoordelen van een aanvraag. Daarvoor ontwikkelden we de interbestuurlijke Producten en Diensten Catalogus (i-PDC) en Zaaktypen Catalogus (i-ZTC). Daarmee zijn we heel dichtbij de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) en de Omgevingswet gebleven door de letterlijke benamingen daaruit over te nemen. Zo voorkomen we interpretatieverschillen. Als alle behandelaren die gebruiken, weten ze zeker dat ze het over hetzelfde hebben. Een voorbeeld daarvan is het verschil tussen een vlonder en een steiger. Die begrippen worden nogal eens door elkaar gebruikt. Als we één uniforme taal spreken, weten we wanneer we welk woord moeten gebruiken. Daarnaast zijn er principes en afspraken nodig over de interbestuurlijke procesketens voor samenwerking en het communicatieproces. Die vormen de basis voor alles wat gebouwd wordt in het DSO. De derde, ook zeer belangrijke, bouwsteen is een virtuele ruimte waarin interbestuurlijk kan worden samengewerkt. Het digitaal stelsel moet zo’n ruimte faciliteren. Hiermee bedoel ik een ruimte waarin je bestanden kunt delen, notificaties krijgt van andere overheden en waarin je altijd de laatste versie van een plan tot je beschikking hebt.’  

Tot nu toe hebben we het over UIVO-i, wanneer komt PIKO in beeld?
‘Binnen het project UIVO-i is een start gemaakt met het ontwikkelen van de bovengenoemde samenwerkingsbouwstenen. Het Project Interbestuurlijke Ketensamenwerking Omgevingswet (PIKO) geeft hier sinds oktober 2018 een vervolg aan. Wat er tot nu toe is ontwikkeld, wordt binnen PIKO in de praktijk getest door vertegenwoordigers van overheden door het hele land. Dat is heel belangrijk, want van de resultaten uit deze zogeheten praktijkproeven en try-outs kunnen wij weer leren. We vragen nadrukkelijk om feedback. Aan de hand daarvan kunnen we de interbestuurlijke samenwerkingsbouwstenen doorontwikkelen. Het gaat ons vooral om feedback van de ‘ambtenaar in het wild’, de mensen die straks dagelijks met de materie aan de slag zijn. Niet per se van de usual suspects die namens de koepels werken. Er lopen nu enkele tientallen praktijkproeven en regionale try-outs verspreid door het land, waarvan vier of vijf in het eerste kwartaal van 2019 resultaten opleveren. De deelnemers aan de proeven hebben er zelf ook zeker iets aan: wij bieden onze kennis en expertise aan. We kunnen hun vragen beantwoorden en adviseren bij het opzetten en uitvoeren van een praktijkproef binnen dit project.’  

Is daar concreet voorbeeld van?
‘Zeker, zo speelden we tijdens de Slagsessie in Utrecht op 6 maart, met verschillende partijen uit het werkveld het Omgevingswet simulatiespel, ook wel het PIKO-spel. In dat spel wil een investeerder een outdoor recreatiecentrum met overnachtingsmogelijkheden starten in een fictieve regio. Op de gewenste locatie blijken er nogal wat beperkingen te zijn: het water is deel van een Natura 2000-gebied en het bos maakt deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Daar kun je dus niet zomaar iets bouwen. Door de deelnemers in het spel verschillende rollen te geven – van initiatiefnemer, tot gemeenteambtenaar en medewerker van de omgevingsdienst – ervaren zij onder begeleiding, het interbestuurlijk samenwerken.’  

Wat gebeurt er met de resultaten uit de praktijkproeven en try-outs?
‘We werken toe naar een platform waarin alle partijen mee doen, zodat de praktijkervaringen leiden tot bruikbare volgende stappen. En we leveren naast een praktische handreiking, de volgende versies op van de i-samenwerkingsbouwstenen. Wat we opleveren is een samenhangend dynamisch geheel van samenwerkingsbouwstenen, dat meegroeit met de ambities van de Omgevingswet.’

Kans om de beleidszolder op te ruimen

De overgang van oud naar nieuw omgevingsbeleid roept verschillende vragen op. Twee ervan zijn: wat is de betekenis van bestaande beleidsdocumenten nadat de Omgevingswet in werking treedt? En: hoe verhouden deze zich tot de nieuwe omgevingsvisies en programma’s?

Voordat een bestuursorgaan aan de slag gaat met een omgevingsvisie en programma’s, is het zinvol om na te gaan wat het huidige beleid is en in welke documenten dit allemaal staat: wat moet worden aangepast of kan vervallen? Beleid is vaak versnipperd en documenten zijn niet altijd goed op elkaar afgestemd. De overgang naar het nieuwe stelsel biedt de kans om het omgevingsbeleid uit bestaande documenten te bekijken en tot nieuw samenhangend beleid te komen.

Integraal en volledig
Het strategische beleid van een bestuursorgaan komt in de integrale omgevingsvisie. Dit zijn de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. De (multi)sectorale of gebiedsgerichte uitwerking en maatregelen om doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken, komen in principe in programma’s. In een energietransitieprogramma, bijvoorbeeld. Maar de uitwerking en maatregelen kan ook in een ander document staan, zoals een beleidsbrief of actieplan. In dat geval helpt het om in het document de verhouding tot het beleid in de omgevingsvisie en programma’s toe te lichten. Ook is het wenselijk om bij latere aanpassingen van de omgevingsvisie of programma’s, of bij het opstellen van nieuwe programma’s, te bekijken of het beleid uit zo’n document daar een plaats in kan krijgen. Zo werk je aan de integraliteit van de omgevingsvisie en de volledigheid van programma’s.

Wees duidelijk over de sturingsfilosofie
De grens tussen integraal strategisch beleid in de omgevingsvisie en uitvoeringsgericht (multi)sectoraal beleid in het programma, bepaalt een bestuursorgaan zelf. Een bestuursorgaan heeft een visie op de eigen belangen, doelen en de manieren waarop die doelen bereikt kunnen worden. Alle beleidsdocumenten zijn zelfbindend. Als een bestuursorgaan juridische doorwerking zoekt, kunnen uitwerkingen van beleid direct in rechtsregels worden opgenomen. Bijvoorbeeld een omgevingsverordening of -plan. Het is mooi om in de omgevingsvisie te vermelden wat de visie op sturing, uitvoering en bijsturing is. Er is geen juridisch harde koppeling tussen de omgevingsvisie, programma’s, projectbesluiten of wijziging van decentrale regelgeving. Het is niet zo dat een omgevingsvisie aangepast moet worden als een programma wijzigt. Of dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma opgesteld kan worden.

Overgangsrecht
Na de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel staan belangrijke uitgangspunten en -keuzen niet alleen in de omgevingsvisie of programma’s, maar ook in bestaande beleidsdocumenten. Er kan onduidelijkheid ontstaan als beleid in de omgevingsvisie afwijkt van bestaand beleid. Dan moet een bestuursorgaan in de omgevingsvisie aangeven waar het nieuwe beleid het bestaande vervangt. Bestaande beleidsdocumenten - met of zonder wettelijke grondslag - blijven gelden na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ze binden het vaststellende bestuursorgaan totdat dit orgaan het document intrekt. Vaak gaat het om aspect-structuurvisies, die op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ook al zelfbindend waren. Maar het kan ook gaan om andere afzonderlijke documenten zonder directe wettelijke grondslag. Zijn deze op het moment van inwerkingtreding van de wet jonger dan vijf jaar, dan worden ze gezien als programma op grond van de Omgevingswet. De datum waarop de Omgevingswet is ondertekend, 23 maart 2016, is hier het ijkpunt. Deze termijn is bedoeld als stimulans om bestuursorganen nu al aan de slag te laten gaan met de voorbereiding van omgevingsvisies en programma’s. Zijn beleidsdocumenten ouder, dan zijn het geen programma’s op grond van de Omgevingswet. Dat wil niet zeggen dat ze geen betekenis meer hebben. De actuele onderdelen kunnen nog steeds worden gebruikt bij de onderbouwing van beleid of bij besluitvorming, als deze maar niet in strijd zijn met de omgevingsvisie of programma’s. Mocht een visie of een programma een bestaand beleidsdocument vervangen, dan moet dat document worden ingetrokken. Dat kan door dit in de omgevingsvisie op te schrijven.

Een mooie gelegenheid
Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, op 1 januari 2021, is het verplicht om een omgevingsvisie en de bijbehorende op grond van de Omgevingswet verplichte programma’s te hebben. De uitzondering hierop is de plicht voor gemeenten om een omgevingsvisie op te stellen. Die gaat in op 1 januari 2023. Omgevingsvisies die voor inwerkingtreding van de wet zijn vastgesteld, worden gezien als omgevingsvisies zoals bedoeld in de wet. Ook verplichte programma’s die volgen uit Europees recht en die nog op grond van het oude recht zijn vastgesteld, blijven gelden onder de Omgevingswet (denk bijvoorbeeld aan het actieplan geluid of programma’s op het gebied van water). Deze worden dan als programma op grond van de Omgevingswet beschouwd. Zie voor meer informatie over programma’s het artikel Het programma, een veelzijdig instrument, dat verscheen in Kwartslag 5.

De invoering van de Omgevingswet biedt dus een mooie gelegenheid om de beleidszolder eens goed uit te mesten en met nieuw samenhangend beleid te komen.

Werken alsof de Omgevingswet al van kracht is

In steeds meer gemeenten dringt de geest van de Omgevingswet door in de dagelijkse praktijk. Het initiatief om met de wet aan de slag te gaan, komt meestal vanuit de gemeenten zelf. Maar in Noordwest Friesland bewezen ondernemers dat het ook anders kan. Benieuwd naar hun verhaal en dat van de gemeenten Goirle en Moerdijk? Drie inspirerende voorbeelden.

De allereerste Proeftuin van Nederland

Goirle

Een manege die wil verplaatsen, een puinsorteerbedrijf dat wil uitbreiden en een natura 2000-gebied dat bescherming nodig heeft. Wat doe je als er in een gebied zoveel belangen en ambities zijn, dat je ze binnen de bestaande normen en regelgeving niet kunt verenigen? Gemeente Goirle en provincie Noord-Brabant besloten samen te werken en als eerste proeftuin van Nederland aan de slag te gaan met de Omgevingswet.

Eén oplossing voor het geheel
In de Proeftuin Goirle krijgt iedere betrokken partij de kans om zijn kennis en wensen in te brengen. De bedrijven en grondeigenaren in het gebied, de gemeente, provincie, het waterschap en Brabants Landschap delen hun inzichten met elkaar. Goede communicatie tussen al deze betrokkenen en het integraal benaderen van deelproblemen staat in de Proeftuin centraal. Er wordt geen aparte oplossing voor elke wens bedacht, maar één oplossing voor het geheel.

Lees het complete verhaal van de Proeftuin Goirle.

Burgerparticipatie in het bestemmingsplan

Moerdijk

Gemeente Moerdijk ging werken in de geest van de Omgevingswet toen de visie en het bestemmingsplan voor het buitengebied geactualiseerd werden. Samen met een adviesbureau bedacht de gemeente een strategie om hier zoveel mogelijk bewoners actief bij te betrekken.

Gesprekken en debatten
De bewoners kregen eerst een brief thuis, met daarin een voorstel voor de bestemming van hun perceel. Ze ontvingen in deze brief ook een uitnodiging voor een gesprek over hun persoonlijke situatie. Veel bewoners maakten gebruik van deze uitnodiging. De gesprekken zorgden voor meer begrip bij zowel de gemeente als de bewoners. De gemeente kreeg meer informatie over de percelen en de bewoners over de gang van zaken rondom een bestemmingsplan. De gemeente hoopte door deze aanpak op minder klachten en bezwaren van de bewoners over het bestemmingsplan. En met resultaat: door de bewoners te laten participeren in de herziening van het bestemmingsplan, ontving ze veel minder zienswijzen dan de vorige keer.

Lees meer over de aanpak van gemeente Moerdijk.

Ondernemers starten zelf een pilot

Noordwest Friesland

In Friesland draaiden ondernemers de rollen om. Zij benaderden het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf met het voorstel om in hun gemeenten te werken alsof de Omgevingswet al van kracht is. Het ministerie reageerde enthousiast. De pilot ‘Noordwest Friesland ontregelt’ was geboren. 

Meerwaarde voor de gemeenschap
Van het aanleggen van een stinzentuin tot het bouwen van kleine huizen voor ouderen: de projecten binnen de pilot zijn heel divers. Iedereen in Noordwest Friesland mag een projectplan indienen. Ondernemers, de betrokken gemeenten en de provincie beoordelen de ingediende projectplannen samen. Dat doen ze in breed en divers samengestelde teams. Bij het beoordelen van de plannen letten ze vooral op de waarde voor de omgeving. Is het plan goed voor de natuur of de gemeenschap? De teams bekijken vervolgens of ze zelf nog meer waarde aan de projectplannen toe kunnen voegen. Zo zoeken ze naar mogelijkheden binnen de bestaande regels.

Benieuwd naar de pilot? Lees meer.

'In het digitaal stelsel komt alles samen'

Martin van Bers was projectleider digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) bij gemeente Tilburg. Dit jaar werd hij programmamanager. Zijn DSO-kennis past hij toe in die nieuwe functie. Zijn overtuiging: ‘Een programmamanager móet zich verdiepen in het digitaal stelsel. Het is de plek waar alles samenkomt: regels, omgevingsplannen en informatiestromen. Digitaliseer je regels en informatie minimaal en de digitale dienstverlening is minimaal.'


Programmamanager Omgevingswet
Martin van Bers

Tilburg zet haar inwoners graag centraal. Een gemeente die ruimte schept, meedenkt, meedoet en beschermt wat kwetsbaar is, zo’n gemeente wil ze zijn. ‘Dat kunnen we met de Omgevingswet bereiken. Het DSO ondersteunt hierin door iedereen dezelfde informatiepositie te geven’, zegt Van Bers. Zijn programmateam bestaat uit tien mensen. Ze werken aan vier projecten. In de pilot Noordhoek maakt gemeente Tilburg samen met de wijk een omgevingsplan. Het project Soepele Regels onderzoekt hoe de gemeente meer ruimte gaat geven aan inwoners en ondernemers. Dan is er een project dat zich richt op het digitaal stelsel en één gericht op de lerende organisatie. Met ondersteuning van communicatie, financiën, organisatieadvies en secretariaat is het programmateam compleet.

Ontdekkingstocht
Over twintig maanden is het zover, dan treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. Van Bers brengt met het programmateam in kaart wat er moet gebeuren om hierop voorbereid te zijn. Of ze de deadline gaan redden? ‘Dat is op alle vlakken spannend. Zo zijn we onder meer afhankelijk van hoe het in onze projecten gaat, of het landelijk programma en de leveranciers gaan leveren en of medewerkers zich de nieuwe manier van werken eigen maken. Het programmateam is op ontdekkingstocht. We doen de juiste dingen richting 2021 en zijn bereid plannen bij te stellen waar nodig.’ Van Bers doekt zijn programmateam januari 2021 met een gevoel van succes op wanneer het de basis voor de Omgevingswet georganiseerd heeft en de eerste stappen in de transformatie een feit zijn.

Vruchten plukken
Als projectleider stoomde Van Bers het digitaal stelsel voor 2021 klaar. Hiervoor bracht hij in kaart: de huidige situatie, de toekomstige situatie en wat ervoor nodig is om daar te komen. Van Bers: ‘Het is een traject waarin je nadenkt over omgevingsplan, beleid, regels en informatiestromen. Techniek is hieraan ondersteunend. Dus als het gaat over participatie stimuleren, gelijke informatiepositie voor iedereen in het proces, in acht weken een vergunning kunnen afhandelen; dan gaat het niet alleen over techniek, maar vooral over informatie. Hoe ga je je systemen en processen inrichten?’ En de analyse reikt nóg verder. Ook moet de gemeente bepalen wat van soort gemeente ze zijn wil. Wil je medewerkers veel ruimte laten? Hoe ga je veranderen? Van Bers: ‘Eigenlijk is het DSO een enorm ict-project in een omgeving die in verandering is. Alles komt straks samen in het digitaal stelsel. Als je dat nu goed organiseert, pluk je daar straks de vruchten van.’

Onderbuikgevoel
Nu Van Bers programmamanager is, past hij zijn DSO-kennis toe in de deelprogramma’s. Zo vertaalt hij alle projecten die het programmateam doet naar het digitaal stelsel, naar informatiestromen. Neem de pilot Noordhoek, waarin het programmateam samen met de wijk een omgevingsplan maakt. Hiervoor heeft het team informatie over de wijk nodig; niet gebaseerd op onderbuikgevoel, maar op data. De beschikbare data van de wijk visualiseert het programmateam, zodat ze met de wijk het juiste gesprek kan aangaan. Van Bers: ‘Kennis van het digitaal stelstel helpt mij dus om deelprogramma’s aan te sturen. Andersom leer ik veel van de projectleiders. Zij kennen de inhoud van een project tot in detail. Wat is bijvoorbeeld de impact van de nieuwe geluidsnota op de gemeente Tilburg? Dan moet ik bij teamlid Wim Tijssen zijn, die weet enorm veel van de Omgevingswet.’

Tip: doe DSO-kennis op
Van Bers kan het niet genoeg benadrukken: ‘Een programmamanager móet zich verdiepen in het digitaal stelsel.’ DSO is meer dan technisch aansluiten. Het is de plek waar regels, omgevingsplannen en alle informatie samenkomen en het heeft impact op het niveau van dienstverlening. DSO kun je niet minimaal invullen. Doe je dat wel, dan loggen mensen in op het digitale loket en zien alleen ‘bel je gemeente’. Hoe moet een programmamanager die DSO-kennis opdoen? Van Bers: ‘In gesprek gaan met de projectleider DSO of informatiemanager. Door hun impactanalyse weten die wat je hebt als je niets doet en wat je moet doen om daar iets van informatie te zien. Dat kennisniveau is een minimum vereiste. En het besef dat ict alleen dingen kan opleveren als de rest van de organisatie weet wat ze wil. Het is een wisselwerking. Hoe wil je werken? Wat is de dienstverlening? Hoe deel je informatie? Het betrekken van leveranciers en ketenpartners is dus elementair.’

Ketenpartners en leveranciers
Van Bers zoekt de ketenpartners zoals andere overheden, omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s. Geregeld delen ze kennis en bespreken ze hoe ze elkaar kunnen versterken. Ook gingen ze concreet aan de slag. Samen schreven ze zich in voor de try-out DSO. ‘Al haalden we de selectie niet, toch gaan we afspraken maken. Hoe pakken we straks met elkaar dat proces van acht weken aan? Hoe gaan we met elkaar werken? Dat gaat over houding en gedrag én ict. Die koppeling maken we nu al. Wat we leren uit de pilots helpt daarbij.’ Samenwerking met leveranciers vindt Van Bers het spannendst. Een gemeente is afhankelijk van hoe leveranciers de implementatie van de Omgevingswet zien. Zij maken nieuwe software die Omgevingswetproof is op basis van standaarden die het landelijk programma ontwikkelt. Soms is die standaard nog niet duidelijk, zoals bij het omgevingsplan dat vertaald moet worden naar het landelijk stelsel (de STOP-TPOD standaard). Dan kan de leverancier niet tijdig leveren en weet de gemeente niet wat ze precies krijgt en wanneer. ‘Dit zit niet in mijn invloedssfeer, maar ik heb er wel mee te dealen. Ik moet weten over welke onderdelen ik me druk moet maken en over welke niet. Over bijvoorbeeld software voor vergunningsystemen kan ik al wel de samenwerking opzoeken met leveranciers.’ 

Van Bers ziet de implementatie van de Omgevingswet als een ontdekkingstocht. ‘Dat is het leuke ervan: je kan dingen ontdekken die heel mooi zijn, maar ook dingen waarvan je helemaal niet blij wordt. Zolang je maar een goed team hebt en iedereen begrijpt dat er met dit programma onzekerheden gepaard gaan. Met zo’n goede basis kun je bij tegenvallers toch de goede besluiten nemen en de organisatie daarin meenemen. Dat is de kunst.’   

Duurzaam omdenken

Hoe kunnen de instrumenten van de Omgevingswet gemeenten helpen bij het bereiken van de eigen en nationale klimaat- en energiedoelstellingen? Acht pilotgemeenten beantwoorden deze vraag in een kennistraject. De startbijeenkomst was 19 april.

Het kennistraject is een initiatief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en het programma Aan de slag met de Omgevingswet. Een consortium van Antea Group, Rho adviseurs, Over Morgen, TNO, Platform31 en Rebel voert het traject uit. Maarten Hoorn, senior projectleider bij kennis- en netwerkorganisatie Platform31, coördineerde de startbijeenkomst van 19 april. ‘De energietransitie heeft onherroepelijk effect op de fysieke leefomgeving’, zegt Hoorn. ‘Denk aan het opwekken van groene energie, laadpalen voor elektrische auto’s, het aanleggen van warmtenetten onder de grond om woningen van het gas af te halen. Gemeenten geven daar handen en voeten aan en komen hobbels tegen. Kun je daar met de instrumenten die de Omgevingswet biedt op een handige manier op inspelen? Dat bekijken gemeenten in het kennistraject.’ Een tweede ring van gemeenten leert mee en geeft feedback op de pilotgemeenten. Deze tweede ring bestaat uit pilotgemeenten die de eerste selectie niet haalden en gemeenten die al veel nadenken over het onderwerp.

De pilotgemeenten en hun onderzoeksvraag
BZK en het consortium formuleerden acht vragen en zochten daarbij acht pilots. De selectiecriteria: de gemeenten zijn bezig met de Omgevingswet, zetten al stappen in de energietransitie en kunnen de onderzoeksvraag concreet maken. Ook lette het consortium erop dat de pilots spelen in verschillende typen gebieden – zoals historische binnenstad, nieuw bedrijventerrein en landelijk gebied – op verdeling over het land. En op een goede mix tussen grote en kleine gemeenten. Hieruit rolde een gemêleerde mix.

Concreet voor Tilburg en Den Haag
De eerste stap die de pilotgemeenten zetten, is het concreet maken van hun onderzoeksvraag. Tilburg doet dit bijvoorbeeld met vijf wijken waarmee ze binnenkort van het gas af wil. De aanleiding per wijk verschilt. Zo wees de gemeente een wijk aan in het kader van het landelijk programma aardgasvrije wijken. In een andere wijk zijn het juist de bewoners die het initiatief nemen. In andere wijken spelen woningcoöperaties en verenigingen van eigenaren die willen verduurzamen een rol. Hoorn: ‘Die diversiteit in aanleiding is interessant. Door te kijken naar de verschillende manieren waarop wijken van het gas afgaan, kun je zien hoe je de instrumenten van de wet kunt inzetten. En op welke manier je ervoor zorgt dat ze uitnodigend zijn en of je dingen moet reguleren.’

Gemeente Den Haag pakt het anders aan. Den Haag doet mee met wijk de Binckhorst, dat is een transformatiewijk. Het bedrijventerrein wordt woon-werkgebied. De gemeente bekijkt hoe ze alle panden van warmte kan voorzien. Verschillende warmtenetten spelen hierin een rol, denk aan aquathermie en geothermie. Bij geothermie, oftewel aardwarmte, wordt energie gewonnen door gebruik te maken van het temperatuurverschil tussen het aardoppervlak en diep in de aarde gelegen warmtereservoirs. Bij aquathermie haalt men energie uit oppervlaktewater, afvalwater en drinkwater. Hoe regel je dat in een omgevingsplan? Hoe borg je dat die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de transitievisie warmte, terwijl nog niet helemaal duidelijk is hoe die transitie in het warmtedomein gaat plaatsvinden?

Boxtel kijkt integraal
Boxtel heeft misschien lastigste onderzoeksvraag om concreet te maken. De gemeente bestudeert hoe ze de energietransitie integraal in plaats van sectoraal kan benaderen. De onderzoeksvraag maakt Boxtel concreet door zich te richten op GreenTech Park Brabant. Dit is een nog te realiseren bedrijventerrein waar alleen duurzame bedrijven zich mogen vestigen. Bij een deel van de bedrijven  staat een CEO aan het roer die duurzaamheid erg belangrijk vindt. Andere bedrijven hebben stimulering nodig om ervoor te zorgen dat ze duurzaam aan de slag gaan. ‘Duurzaamheid is lastig te objectiveren’, legt Maarten uit. Wat vind je dan duurzaam? Wat is innovatief? En wat draagt bij aan de energietransitie? Dit moet de gemeente vertalen naar het omgevingsplan waarin ze het toch meer met regels moet doen. Dat is een zoektocht.’

Het kennistraject
De acht pilotgemeenten gaan heel 2019 met hun onderzoeksvraag aan de slag. Elke pilot heeft een coach die helpt om een antwoord te vinden op hun vraag. In vijf pilotbijeenkomsten presenteren de pilots hun resultaten en knelpunten. Naar mogelijke oplossingen gaan de aanwezigen ter plekke met elkaar op zoek. Ook de tweede ring heeft hierbij een inbreng. Tijdens de startbijeenkomst op 19 april maakten de pilotgemeenten kennis met elkaar. De aanwezigen spraken het vermoeden uit dat het instrument programma goed kan helpen bij de energietransitie. Dit instrument uit de Omgevingswet gaat kortweg over hoe je doelen bereikt en monitort. Hoorn: ‘Want energieneutraal in 2040 klinkt leuk, maar dat moet je wel in tussenstappen realiseren. Hoe kom je daar? Hoe bepaal je de tussentijdse mijlpalen?’

Aan het einde van de bijeenkomst van 19 april besprak elke pilot wat ze opgestoken had en wat ze er de komende periode mee gaat doen. Hoorn: ‘Ongetwijfeld lopen de pilotgemeenten weer tegen nieuwe dingen aan. Dat staat dan centraal tijdens de volgende bijeenkomst. Ervaring en kennis uitwisselen, daar gaat het om.’ Het kennistraject eindigt in januari 2020. In een slotbijeenkomst presenteren de pilotgemeenten hun resultaten. Ook is er dan een publicatie gereed met de geleerde lessen. Wanneer het consortium het kennistraject met een gevoel van succes afsluit? ‘Als de pilotgemeenten daadwerkelijk antwoord hebben gegeven op de onderzoekvragen, echt stappen hebben gemaakt en aanbevelingen kunnen geven aan andere gemeenten die ook voor deze opgave komen te staan.’

DSO-dag: 'De probeersels van vorig jaar functioneren nu echt'

De landelijke gemeenschap rond het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) groeit. Dat bleek ook uit het aantal aanmeldingen voor de eerste DSO-dag van 2019: ruim 650 mensen wilden hier op 26 maart bij aanwezig zijn. Hoe ver is de ontwikkeling van de landelijke voorziening van het DSO? Wat is er (niet) gelukt in de verschillende praktijkproeven en pilots? Waar zijn collega’s uit het land mee bezig? Daar ging het over tijdens deze dag.

Het samenwerken tussen verschillende overheden en uitvoeringsorganisaties krijgt steeds vastere vorm. Dat blijkt ook uit het feit dat het programma Aan de slag met de Omgevingswet en de koepelpartners voortaan samen de DSO-dag opzetten. Programmadirecteur DSO-LV Bert Uffen en Kristel Lammers, programmamanager Omgevingswet VNG, openen dan ook samen het plenaire ochtendprogramma. Uffen heette ook de kijkers thuis welkom, want de functionele kwartaaldemonstratie was dit keer via een livestream te volgen.

Veel gelukt
In het negende ontwikkelkwartaal zijn veel dingen gelukt. Om er een paar te noemen: de try-outversie van het DSO-LV staat en ook het doe-het-zelf-koppelen en het afleiden van het bevoegd gezag in het Omgevingsloket en de authenticatie met eHerkenning, werkt.

In een reeks demo’s worden de ontwikkelingen getoond. De Publicatie Omgevingsregeling Rijk laat zien waar alle regels voor activiteiten straks op één plek bij elkaar staan, met de locaties waar ze gelden en compleet met exacte geometrische grenzen. De Praktijkproef Natuurgebieden in de viewer toont hoe je een informatieproduct (regels in combinatie met een kaart) kunt ontsluiten in het DSO-LV. De gemeente Rotterdam en de VNG deden samen een praktijkproef met het digitaliseren van de omgevingsvisie van Rotterdam om te kijken of je een omgevingsvisie op een gebruiksvriendelijke manier digitaal kunt tonen en of een gebruiker dan vindt wat hij weten wil.

In de Praktijkproef Verordening Gelderland in de STOP TPOD deed de provincie ervaring op met het annoteren van een provinciale verordening. Deze werd omgezet in valide STOP/TPOD V0.97 XML bestanden, initieel en ook om ze te kunnen wijzigen. Een team juristen oefende met het invullen van excelbestanden. Met een Digikoppeling met de Landelijke Voorziening Besluiten en Beschikbaar stellen (LVBB) kon het besluit officieel bekend worden gemaakt en kon een geconsolideerde regeling worden gepubliceerd. Wijzigen en de wijziging consolideren, lukte ook.

De Praktijkproef complexe milieucasus, vergunningcheck en –aanvraag ging over een initiatiefnemer die een garage wil starten met een wasplaats en een tankstation. Het DSO helpt hem eenvoudig door de procedure. Nieuw is dat het systeem hem de werkzaamheden aanreikt die vaak voorkomen (zoals ‘anderen kochten ook’ op Zalando). In het resultaat van de check ziet hij per werkzaamheid de juridische activiteit(en) waarvoor hij een verzoek moet indienen (dit is de conclusie). Nieuw is dat er nu ook per conclusie een toelichting kan worden gegeven. Bijvoorbeeld dat er geen vergunningsplicht geldt, maar wel een zorgplicht. De aanvrager logt in met eHerkenning en kan in de Omgevingsloketomgeving de vergunningaanvragen en ook andere projecten beheren. De verschillende verzoeken (het is complex) levert het DSO-LV af bij het juiste bevoegd gezag op basis van de activiteit en de locatie. Ook handig: bedrijfsgegevens worden al voor-ingevuld door een koppeling met het Handelsregister.

Het waterschap Drents Overijsselse Delta deed samen met verschillende leveranciers een proef om tien veelvoorkomende activiteiten te publiceren in de LVBB en om te zetten in vragenbomen. Dit lukte. Ook de vergunningscheck kon worden uitgevoerd. De Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) liet in het Praktijkvoorbeeld indienen aanvraag zien hoe het zaaksysteem wordt aangesloten op het DSO-LV. Het doel is aanvragen te ontvangen vanuit het DSO, te verwerken in het zaaksysteem en digitaal te archiveren. Basisgegevens worden gecontroleerd vanuit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en de Basisregistratie Personen (BRP). De aanvraag moet worden gepubliceerd in de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen. De indiener wordt op de hoogte gehouden via de Berichtenbox van Mijn Overheid, en ten slotte wordt de aanvraag verwerkt in de objectenregistratie. Veel onderdelen zijn al gelukt, bijvoorbeeld het verwerken van de basisfuncties tot een zaak, het toevoegen van documenten en het schakelen met vervolgketens zoals de BAG en Mijn Overheid. Het verwerken van activiteiten is nog niet gelukt. De inleiders verwachten dat alles in 2020 goed kan werken.

Gemeente Valkenswaard ging aan de slag met het opstellen en beheren van toepasbare regels. In het Praktijkvoorbeeld opstellen vragenbomen, inventariseren en beoordelen ze alle verordeningen: welke regels kun je omzetten in toepasbare regels? De kunst is te beginnen met de conclusie. Formuleer vragen die naar de conclusie leiden en maak hiervan een bestand met Standaard toepasbare regels om aan te bieden aan het DSO. Dat is de gemeente gelukt, maar het blijkt wel veel werk om de juiste vragen te formuleren en de scenario's te bedenken. Je hebt er inhoudelijke kennis van de verordening voor nodig. De gemeente noemt het maken van toepasbare regels ook een goede check op de juridische regels, want onduidelijkheden komen meteen aan het licht.

Middagsessies
In de praktijkproevencarrousel van de VNG rouleren de sprekers dit keer. De deelnemers zien achtereenvolgens het Financieel dialoogmodel Omgevingswet, de praktijkproef Digitaliseren omgevingsvisie Rotterdam, de update samenwerkingsfunctionaliteit, de bomen van de gemeente Zeist en de monitoring aanvragen omgevingsplan Binckhorst. Na de carrousel konden de deelnemers een vervolgsessie naar keuze bijwonen, zoals de sessie Toepasbare regels voor gemeentelijke topactiviteiten.

De volgende DSO-dag is op 18 juni. Zowel de functionele als de technische kwartaaldemonstratie zijn dan ook via een livestream te volgen. Kijk voor meer informatie op de website.

Wat vonden de deelnemers ervan?


Ad de Jong, coördinator informatievoorziening (gemeente Drimmelen)
'Niet te veel vrijheid in de standaarden'

‘De kwartaaldemo vond ik interessant. Ik herken de waarschuwing van één van de leveranciers dat de standaarden niet te veel vrijheid moet laten. Zelf kom ik uit de ICT-wereld en ik weet dat koppelvlakken altijd het pijnpunt zijn als je met elkaar moet communiceren. Duidelijke randvoorwaarden zonder grijze gebieden zijn essentieel. In een kleine gemeente is het ook handig om een handreiking te hebben met richtlijnen waarvan je gebruik moet maken. Ik ben nu bezig met het analyseren van bestaande werkprocessen. Mijn streven is om samen op te trekken met de gemeente Breda om tot een gelijkgericht programma te komen.’


Jaap Scholtens, informatiemanager (DCMR Milieudienst Rijnmond)
'De probeersels van vorig jaar functioneren nu echt'

‘Eén van de dingen waar ik me verder in wil verdiepen, is de samenwerkingsruimte. Die zat in de demo van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). Ik vond dat een goed verhaal; over het combineren van het lokale zaaksysteem en de landelijke voorziening van het DSO. Daar ga ik binnenkort contact over zoeken met de collega’s van de ODMH. Hoe zijn ze erop gekomen om het zo in te richten? Welke keuzes hebben ze gemaakt en wat komen ze precies tegen in de praktijk? Je ziet echt een ontwikkeling ten opzichte van eerdere kwartaaldemo’s. Begin vorig jaar waren het nog probeersels en nu zie je het functioneren in een samenspel van leveranciers en overheden. De samenwerking tussen ketenpartners is enorm belangrijk om de Omgevingswet straks goed te kunnen uitvoeren, en binnen acht weken een vergunning te kunnen verlenen.’

Slagsessies geven richting in het digitale woud van regels

Ieder kwartaal organiseert het programma de zogeheten Slagsessies: interbestuurlijke sessies voor de medewerkers van overheden. Welke inzichten leveren de bijeenkomsten op? Een impressie van de Slagsessie van 6 maart in Utrecht.

Nog 22 maanden te gaan. Dan nemen we het nieuwe Omgevingsloket in gebruik. Tijdens een drukbezochte Slagsessie op 6 maart in Utrecht werd voor het eerst een live demo getoond van het digitale loket dat het voor burgers en bedrijven eenvoudiger maakt om vergunningen aan te vragen. Tijdens vier workshops onderzochten de deelnemers vervolgens welke stappen zij nog moeten nemen om straks goed uitgerust bij de startlijn te staan.     

Optimaal gebruiksgemak
Hoe ver zijn de bouwers van het digitale loket inmiddels? Met die vraag in het achterhoofd zijn medewerkers van verschillende overheden en andere organisaties in de regio Utrecht vandaag naar het Beatrixgebouw gekomen. Adviseur invoeringsondersteuning bij het programma Aan de slag met de Omgevingswet Marjo van den Boom heet de aanwezigen welkom, waarna zij het stokje doorgeeft aan Inge Kure en Florien de Jong. Zij zijn beiden betrokken bij het digitaal stelsel en verheugd dat ze vandaag live kunnen tonen wat er de afgelopen tijd is gerealiseerd. Het loket wordt agile, ofwel in brokjes ontwikkeld, vertelt Kure. ‘We zijn nu op het punt beland dat we een goed beeld kunnen geven van hoe het loket er uiteindelijk uit zal zien. Ondanks dat dit nog een bèta versie is. We hopen jullie en jullie organisaties te motiveren om de benodigde data op orde te krijgen en die aan het loket toe te voegen. Dat is belangrijk, want daardoor kunnen burgers en bedrijven het loket, zodra de Omgevingswet in werking treedt, probleemloos gebruiken.’ De workshops van vandaag zijn bedoeld om verder uit te zoeken wat er nog nodig is voor optimaal gebruiksgemak.

Omgevingsloket: voorkant DSO
De Omgevingswet biedt gemeenten, waterschappen en provincies veel ruimte om hun eigen regels op te stellen. Deze af te stemmen op de lokale situatie. Een ander groot goed is dat de gebruiker – burger of bedrijf – centraal staat. Maar hoe werkt dat? Hoe weet je straks wat waar geldt, als iedere gemeente, waterschap en provincie andere regels heeft. Daar biedt het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) uitkomst: het helpt de gebruiker een weg te vinden in het digitale woud van regels. Het Omgevingsloket, de ‘voorkant van het DSO, maakt het aanvragen van een vergunning, of het checken van regels eenvoudiger dan dat nu is. Kure: ‘Maar dan moeten wij het wel met elkaar op de juiste manier vormgeven. Dat is waarom we hier vandaag zijn.’

Wat er al werkt
Wat het digitaal stelsel op 1 januari 2021 in ieder geval biedt is één digitaal Omgevingsloket voor vergunningaanvragen, meldingen, checks en de mogelijkheid om je te oriënteren op een kaart. ‘En dat ziet er zo uit’, zegt een hoorbaar trotse Florien de Jong. Op het scherm voorin de zaal verschijnt de homepagina van het Omgevingsloket online. De pagina waar gebruikers terecht komen als ze ‘iets’ willen. ‘Dit is nog een bètaversie,’ benadrukt ze, ‘maar we laten graag zien wat al werkt.’ Aan de hand van verschillende cases laten Kure en De Jong zien wat er allemaal mogelijk is met het Omgevingsloket. Zo bekijken ze voor (de fictieve) Mathijs via de regels op de kaart-functie of hij op een bepaalde locatie een tandartsenpraktijk aan huismag starten. En loodsen ze de persona Lidewij door een vergunningcheck en vergunningaanvraag voor een dakkapel en het kappen van een boom in haar tuin.

Verdiepende workshops
Na het plenaire gedeelte volgen vier verschillende workshops. Zo wordt in een van de zalen behandeld hoe overheden begrijpelijke regels en goede aanvraagformulieren kunnen maken voor hun digitale dienstverlening. Ernaast vindt een gesprek plaats over wat organisaties moeten doen om een aanvraag of melding te ontvangen en te verwerken. In een van de zalen vindt zelfs een heus simulatiespel plaats waar deelnemers van verschillende overheden samen oefenen met de nieuwe werkprocessen die bij de Omgevingswet horen. De workshop die het kwartet compleet maakt, gaat over gebruiksgemak van de kaart. Bedoeld voor mensen die meer inzicht willen krijgen in de informatiebehoefte van de gebruiker van het Omgevingsloket, bijvoorbeeld. De deur uit met nieuwe informatie en praktische handvatten, dat is het streven.

Kies een strategie 
Tijdens die laatste worden de deelnemers meteen voor een keuze gesteld. Welke invoeringsstrategie gebruikt hun organisatie? Consoliderend, calculerend, vernieuwend of onderscheidend? Veel mensen gaan in het onderscheidende vak staan. Bijvoorbeeld omdat hun gemeente kiest voor vergaande participatie. Maar door de wat conservatievere organisaties wordt ook volop geconsolideerd. Waarom zou je iets anders doen als het bestaande gewoon goed gaat? Waarom is het belangrijk om een invoeringsstrategie te kiezen? Verandering in houding en gedrag begint met de vraag ‘wat willen wij?’ benadrukt een van de workshopleiders. En dat is eigenlijk waar deze hele dag om draait. 

Ook deelnemen aan een slagsessie? Kijk voor meer informatie op de website.   

Rapport ‘Verkenning kerninstrument projectbesluit’ beschikbaar

Het projectbesluit is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Waterschappen, provincies en rijk kunnen hiermee projecten met een publiek, nationaal, provinciaal of waterschapsbelang realiseren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aanleg van een snelweg, een dijk, een windpark of een natuurgebied. Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan van gemeenten direct, indien nodig. Vroegtijdige participatie van bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen speelt een belangrijke rol in de procedure om tot een projectbesluit te komen.

Wie krijgt er allemaal met het kerninstrument projectbesluit te maken?
Werk je als ambtenaar aan (verkenningen voor) projectplannen voor dijkversterkingen, inpassingsplannen, tracébesluiten, (rijks)coördinatieregeling, aan de voorbereiding van omgevingsplannen of aan omgevingsvergunningen? Of ben je hier als adviseur uit het bedrijfsleven bij betrokken? Dan krijg je in je werk direct of indirect met het kerninstrument projectbesluit te maken.  

Meer toelichting op en inzicht in het projectbesluit
Het rapport ‘Verkenning kerninstrument projectbesluit’ geeft een inhoudelijke toelichting op het projectbesluit. Het gaat ook in op veranderingen in de manier van werken die nodig zijn en op de relatie met de landelijke voorziening van het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO-LV). Ook bevat het rapport tips om nu al zoveel mogelijk volgens het projectbesluit en de bijbehorende projectprocedure je werk te doen.

Het rapport is mede met dank aan collega’s van Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, ProRail, Provincie Flevoland, Provincie Gelderland, Rijkswaterstaat, Unie van Waterschappen en Vereniging Nederlandse Gemeenten tot stand gekomen.

Voor vragen of opmerkingen kun je contact opnemen met het informatiepunt.

Meld je aan voor de Aandeslag Trofee!

In heel Nederland werken overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven met elkaar op een inspirerende manier aan projecten om zich voor te bereiden op de Omgevingswet. Deze projecten verdienen het om in het zonnetje gezet te worden. Daarom organiseert het programma Aan de slag met de Omgevingswet jaarlijks een verkiezing voor de Aandeslag Trofee. Ken je een innovatief Omgevingswetproject of ben je daarin zelf actief? Meld het aan voor de verkiezing van de Aandeslag Trofee 2019! Alle projecten van overheden en samenwerkingsverbanden kunnen meedoen. Aanmelden kan tot 1 juli 2019. De feestelijke uitreiking is in november 2019. Meer weten of meedoen? Kijk op de website.

Handreiking omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten complexe bedrijven

Er komt een handreiking voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor complexe bedrijven. Dit zijn grote bedrijven zoals energiecentrales, raffinaderijen en bedrijven in de basischemie. Activiteiten van deze bedrijven kunnen grote gevolgen hebben voor de leefomgeving. Provincies verlenen vergunningen voor deze bedrijven. De Omgevingswet biedt hen de kans om op een andere manier met milieubelastende activiteiten van complexe bedrijven om te gaan. Denk hierbij aan minder gedetailleerde omgevingsvergunningen die meer uitgaan van vertrouwen. En vergunningen die minder vaak aangepast hoeven te worden bij wijziging in de bedrijfsvoering. De handreiking is vooral bedoeld voor vergunningaanvragers en -verleners. Maar de informatie in de handreiking is ook handig voor iedereen die bezig is met vergunningen voor niet-complexe bedrijven. Op deze pagina vind je meer informatie over complexe bedrijven en de Omgevingswet. Hier zullen we de komende maand ook de handreiking publiceren die we in de loop van de tijd aanvullen met voorbeelden.

Wat verstaan wij onder casco?

  • a Een staalkaart die kan worden gebruikt bij het opstellen van een omgevingsplan
  • b Het opleveren van de ruwbouw van een huis door de bouwer
  • c Een scheepsromp van een schip waar nog aan wordt gebouwd
  • d Een verzekering voor motor- of pleziervaartuigen
  • e Een veiligheidshelm
  • f Een voorbeeldstructuur waarin alle typen regels staan die gemeenten op grond van de Omgevingswet kunnen stellen
0 bezoekers hebben al gestemd

Colofon


Kwartslag is een uitgave van het programma Aan de Slag met de Omgevingswet en verschijnt 4 keer per jaar. Kwartslag informeert laagdrempelig over de actuele stand van zaken rondom de implementatie van de Omgevingswet. En alles wat daarbij komt kijken. Heeft u naar aanleiding van deze editie nog vragen, suggesties of opmerkingen, laat het ons dan weten. 

Ontwerp en realisatie: Kris Kras context, content and design 


Privacy: Door u te abonneren op deze uitgave geeft u automatisch toestemming voor het gebruik van uw gegevens door het programma Aan de Slag met de Omgevingswet. Uw gegevens worden niet anders gebruikt dan voor toezending van deze uitgave en incidenteel voor het sturen van andere relevante informatie met betrekking tot de Omgevingswet of het programma. Wij verkopen uw gegevens niet aan derden.

Disclaimer: u kunt geen rechten ontlenen aan de inhoud van deze uitgave.

Mocht u geen prijs stellen op ontvangst van Kwartslag, dan kunt u zich hier afmelden.

Meer informatie vindt u op www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl 
Volg ons op Twitter via: @AandeslagOw
En op LinkedIn

Het programma Aan de slag met de Omgevingswet is een initiatief van de VNG, het IPO, de UvW en het Rijk.

Cookiebeleid


Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina's van deze website wordt meegestuurd en door je browser op de harde schijf wordt opgeslagen. De daarin opgeslagen informatie kan bij een volgend bezoek weer naar onze servers teruggestuurd worden. 

Cookies in- en uitschakelen 
Meer informatie omtrent het in- en uitschakelen en het verwijderen van coockies kan je vinden in de instructies en/of met behulp van de Help-functie van jouw browser. 

Google Analytics 
Via onze website worden cookies geplaatst van het Amerikaanse bedrijf Google, als deel van de "Analytics"-dienst. Wij gebruiken deze dienst om bij te houden en rapportages te krijgen over hoe bezoekers de website gebruiken. Google kan deze informatie aan derden verschaffen indien Google hiertoe wettelijk wordt verplicht, of voor zover derden de informatie namens derden verwerken. Wij hebben hier geen invloed op. Wij hebben Google niet toegestaan om de informatie te gebruiken voor andere Googlediensten. 

De informatie die Google verzamelt wordt zoveel mogelijk geanonimiseerd. Uw IP-adres wordt nadrukkelijk niet meegegeven. De informatie wordt overgebracht naar, en door Google opgeslagen op servers in de Verenigde Staten. Google stelt zich te houden aan de Safe Harbor principles en is aangesloten bij het Safe Harbor-programma van het Amerikaanse Ministerie van Handel.